2.2.4.1. Wat betekent het niet beschikken over voldoende bestaansmiddelen?
2.2.4.2. Welke drie categorieën van begunstigden bestaan er?
2.2.4.3. Wanneer en hoe berekent het OCMW de bestaansmiddelen?
2.2.4.4. Hoe hoog is het leefloon?
2.2.4.5. Zijn bepaalde bestaansmiddelen vrijgesteld?
2.2.4.6. De “algemene” of “forfaitaire” vrijstelling
2.2.4.7. De “socioprofessionele” vrijstelling
2.2.4.8. Wat gebeurt er als ik samenwoon?
2.2.4.9. Hoe berekent het OCMW het leefloon in geval van samenwoning?
2.2.4.10. Wat gebeurt er als ik eigenaar ben van een woning?
2.2.4.11. Wat gebeurt er als ik spaargeld heb?