2.2.4.8. Wat gebeurt er als ik samenwonend ben?

Voor de definitie van samenwoning (zie 2.2.4.2. Wat zijn de drie categorieën van begunstigden?).

In geval van samenwoning houdt het OCMW rekening met de bestaansmiddelen van bepaalde personen met wie de aanvrager samenwoont om het bedrag van het leefloon waarop hij of zij recht heeft, te berekenen.

Welke personen binnen het gezin komen hiervoor in aanmerking?

Er wordt rekening gehouden met de bestaansmiddelen van:

  • de echtgeno(o)t(e) of feitelijke partner;
  • de onderhoudsplichtigen die onder hetzelfde dak wonen: ouders, grootouders, kinderen, kleinkinderen, schoonouders, stiefkinderen, evenals de ex-echtgenoot die onderhoudsgeld verschuldigd is (vastgelegd in onderling akkoord of door de rechtbank, binnen de grenzen bepaald in artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek).

De uitbreiding van de onderhoudsplichtigen van wie de bestaansmiddelen in aanmerking worden genomen, is een maatregel die op 1 maart 2026 in werking is getreden. Deze maatregel is van toepassing op alle aanvragen voor leefloon vanaf 1 maart 2026, maar ook op dossiers die vóór deze datum werden geopend, waarbij de situatie wordt herzien tijdens de jaarlijkse evaluatie van het dossier (of eerder, afhankelijk van de keuze van het OCMW). Voordien gold deze maatregel enkel tussen echtgenoten, ouders en meerderjarige kinderen. Dit koninklijk besluit (en de omzendbrief die niet in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd) is bovendien het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring, ingediend in maart 2026 bij de Raad van State. De maatregel blijft dus van toepassing tot een eventuele toekomstige vernietiging.

Het in aanmerking nemen van de bestaansmiddelen van onderhoudsplichtigen is verplicht, behalve om redenen van billijkheid. Het gaat hierbij om een autonome beslissing van het OCMW, maar de betrokken personen moeten ook zelf kunnen verzoeken om toepassing van deze billijkheidsredenen, mits zij hun verzoek tot afwijking motiveren (bijvoorbeeld met een gedetailleerd budget met aanzienlijke uitgaven, bewijs van schulden en/of bijzondere noden, familiale conflicten, een behoefte aan autonomie, een kind ten laste, enz.).

Indien het OCMW volledig afwijkt van deze nieuwe regel (dat wil zeggen dat het helemaal geen rekening houdt met de hierboven vermelde bestaansmiddelen), moet het in het sociaal verslag op gedetailleerde wijze de specifieke billijkheidsredenen en de toegepaste berekeningswijze van de bestaansmiddelen motiveren. Helaas bevat de omzendbrief betreffende het in aanmerking nemen van de bestaansmiddelen van onderhoudsplichtigen geen voorbeelden van billijkheidssituaties.

Deze nieuwe hervorming dreigt de armoede binnen gezinnen aanzienlijk te verergeren en beantwoordt mogelijk niet langer aan de grondwettelijke verplichting om een leven te waarborgen dat strookt met de menselijke waardigheid. Ze kan bovendien leiden tot nog grotere verschillen in behandeling tussen aanvragers, wat indruist tegen de verklaarde politieke doelstelling. De omzendbrief kan hier worden geraadpleegd.

Wanneer het OCMW weigert rekening te houden met billijkheidsredenen, is het daarom belangrijk beroep aan te tekenen bij de arbeidsrechtbank. Op die manier kan worden geprobeerd een nieuwe gunstige rechtspraak tot stand te brengen en kunnen rechters eveneens de onwettigheid van dit nieuwe koninklijk besluit en de bijbehorende omzendbrief vaststellen en deze buiten toepassing laten (omdat ze bijvoorbeeld strijdig zouden zijn met het standstillbeginsel of met het recht op eerbiediging van het privéleven), overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet (zie de rubrieken « beroep », « juridische bijstand » en « links »).

Wanneer de aanvrager samenwoont met een andere persoon dan de hierboven vermelde personen, mag het OCMW geen rekening houden met diens bestaansmiddelen voor de berekening van het leefloon. Voorbeelden hiervan zijn samenwoning met een broer, zus, tante, enz.

Welke bestaansmiddelen worden in aanmerking genomen?

De bestaansmiddelen van de persoon met wie de aanvrager samenwoont, worden beoordeeld volgens dezelfde regels die gelden voor de berekening van de bestaansmiddelen van de aanvrager zelf. Concreet gaat het OCMW bij de berekening te werk alsof de samenwonende persoon zelf een aanvraag voor leefloon had ingediend. Ook de voorziene vrijstellingen worden toegepast, met uitzondering van de vrijstelling betreffende de socioprofessionele inkomsten – « artikel 35 » (zie 2.2.4.5. Zijn bepaalde bestaansmiddelen vrijgesteld? – en de volgende fiches). De in aanmerking genomen bestaansmiddelen beperken zich dus niet tot beroepsinkomsten. Het kan ook gaan om vervangingsinkomens (zoals een uitkering van het ziekenfonds of een pensioen), huurinkomsten, spaargelden, enzovoort.

Ten slotte wordt eveneens rekening gehouden met de gezinsbijslagen (met uitzondering van de bijkomende kinderbijslagen voor personen met een handicap of voor wezen) wanneer de aanvraag voor leefloon uitgaat van het meerderjarige kind, ongeacht of de gezinsbijslag wordt ontvangen door de ouder (al dan niet samenwonend) of door het kind zelf. Het OCMW houdt in dat geval rekening met een forfaitair bedrag van 240 euro. Indien wordt aangetoond dat het werkelijk ontvangen bedrag aan gezinsbijslag lager ligt dan dit bedrag, mag het OCMW enkel rekening houden met het effectief ontvangen bedrag.

Printen

Deze site maakt gebruik van cookies om u de beste ervaring op onze site te garanderen.