Er bestaan drie categorieën begunstigden.
Categorie 1: alleenstaande persoon
Dit kan gaan om:
- een persoon die alleen woont;
- een persoon die in een gedeelde woning (colocatie) woont (niet te verwarren met samenwoning, die hieronder wordt toegelicht).
Opmerking:
Bij een gedeelde woning is een afzonderlijk huurcontract of een colocatiecontract niet noodzakelijk om als alleenstaande te worden beschouwd, maar het kan wel een aanwijzing zijn. Andere aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld zijn: duidelijk gescheiden slaapkamers, afzonderlijke boodschappen in kasten en koelkast, zoveel mogelijk gescheiden inkomsten en uitgaven (telefoon- of internetabonnementen, hygiëneproducten enz.), verschillende deurbellen, verschillende gebruiksuren van gemeenschappelijke ruimtes, afzonderlijke huurovereenkomsten en/of verschillende data van intrek of vertrek uit de woning, enzovoort. Het gaat om een feitelijke situatie die met alle bewijsmiddelen kan worden aangetoond tijdens het sociaal onderzoek van het OCMW.
Situatie van dakloze personen
Als dakloos wordt beschouwd iedere persoon die niet over een eigen woning beschikt, deze niet op eigen kracht kan verkrijgen en bijgevolg geen verblijfplaats heeft. Deze persoon wordt als alleenstaande beschouwd. Ook een persoon die tijdelijk verblijft in een opvanghuis of bij een familielid of vriend wordt als dakloos beschouwd. Ook deze persoon wordt als alleenstaande beschouwd. In beide gevallen zal aan de dakloze persoon bovendien worden voorgesteld een GPMI (Geïndividualiseerd Project voor Maatschappelijke Integratie) te ondertekenen (zie 2.2.5.3. Wat is een GPMI?).
Categorie 2: samenwonende persoon
Samenwonen betekent onder hetzelfde dak wonen en de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gezamenlijk regelen, ongeacht de affectieve band tussen de samenwonenden.
- Onder hetzelfde dak wonen: Dit is een feitelijke situatie, namelijk het fysieke delen van dezelfde woning, ongeacht de inschrijving in het bevolkingsregister. Het samenleven mag bovendien niet tijdelijk of onstabiel zijn. Men wordt bijvoorbeeld niet als samenwonend beschouwd met iemand bij wie men slechts drie dagen verblijft.
- De huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gezamenlijk regelen: Het zijn de dagelijkse betrokkenheid en het engagement, die verder gaan dan enkel het delen van huur en lasten, die de beslissing van het OCMW bepalen. Bijvoorbeeld: wordt het onderhoud van de woning gezamenlijk gedaan? worden voedingsmiddelen gezamenlijk aangekocht? worden maaltijden samen bereid en gegeten? worden hygiëneproducten gezamenlijk aangekocht en gebruikt?
Het sociaal onderzoek zal bepalen of iemand die onder hetzelfde dak woont door het OCMW als samenwonend dan wel als alleenstaand wordt beschouwd, afhankelijk van het al dan niet bestaan van een gemeenschappelijke huishouding.
Categorie 3: persoon met gezinslast
Als persoon met gezinslast wordt beschouwd de persoon die samenwoont met minstens één ongehuwd minderjarig kind dat economisch ten laste is. Het feit dat er daarnaast nog andere personen in de woning wonen, heeft geen invloed op dit statuut.
Een leefloon aan het tarief «persoon met gezinslast» wordt bijvoorbeeld toegekend aan:
- een persoon die alleen woont met zijn of haar minderjarig kind;
- een persoon die met zijn of haar minderjarig kind én broer samenwoont;
- een persoon die alleen woont met een minderjarig kind en een meerderjarig kind;
- een persoon die samenwoont met een minderjarig kind en zijn of haar partner;
- een koppel zonder inkomsten dat een minderjarig kind opvoedt. In dit geval wordt, wanneer beide ouders een leefloon aanvragen, slechts één leefloon aan het tarief “persoon met gezinslast” uitbetaald voor beide volwassenen. Zodra het kind meerderjarig wordt, ontvangen beide ouders een leefloon aan het tarief “samenwonende”.
Het feit dat iemand als persoon met gezinslast wordt beschouwd, betekent echter niet noodzakelijk dat hij of zij een volledig leefloon aan dat tarief ontvangt.
Zo ontvangt een persoon die alleen woont met een minderjarig kind een volledig leefloon aan het tarief “persoon met gezinslast”, zelfs als zijn of haar broer eveneens in de woning woont, aangezien met diens inkomsten geen rekening mag worden gehouden.
Wanneer diezelfde persoon echter samenwoont met een minderjarig kind en een partner en/of een meerderjarig kind, zal het OCMW rekening houden met hun eventuele inkomsten om het bedrag van het leefloon vast te stellen. Het leefloon kan in dat geval gedeeltelijk zijn. (zie 2.2.4.8. Wat gebeurt er als ik samenwoon? en 2.2.4.9. Hoe berekent het OCMW het leefloon in geval van samenwoning?).
Situatie van alternerende huisvesting (co-ouderschap)
In het specifieke geval van alternerende huisvesting berekent het OCMW een leefloon aan het tarief «persoon met gezinslast » voor de volledige maand indien het kind minstens de helft van de maand bij de ouder verblijft. Verblijft het kind minder dan de helft van de maand bij de ouder, dan heeft deze ouder enkel voor de dagen waarop het kind bij hem of haar verblijft recht op een leefloon aan het tarief “persoon met gezinslast” en voor de overige dagen op een leefloon aan het tarief “alleenstaande” of “samenwonende”.
Situatie bij betaling van onderhoudsgeld
Wanneer een persoon onderhoudsgeld voor zijn of haar kind betaalt, kan onder bepaalde voorwaarden een aanvraag voor bijkomende steun bij het OCMW worden ingediend (maximaal 50% van het bedrag en beperkt tot € 91,67 per maand).
De voorwaarden zijn:
- een leefloon of een financiële maatschappelijke hulp ontvangen die gelijkwaardig is aan het leefloon (deze steun geldt dus niet voor personen met een tewerkstelling op basis van artikel 60, tenzij zij ook een aanvullend leefloon ontvangen);
- het onderhoudsgeld betalen op basis van een rechterlijke beslissing, een echtscheidingsovereenkomst door onderlinge toestemming die door de familierechtbank werd gehomologeerd, een akkoord bereikt na een verzoening voor de familierechter of de Kamer voor Minnelijke Schikking (KMS), een bemiddelingsovereenkomst, een beslissing van de jeugdrechter of een bevoegde administratieve overheid (bij plaatsing van het kind), of omdat de vader een relatie had met de moeder tijdens de verwekkingstermijn;
- kunnen aantonen dat het onderhoudsgeld daadwerkelijk wordt betaald (via bankuittreksels of bewijs van overdracht of beslag op inkomsten).