2.2.4.5. Zijn er vrijgestelde bestaansmiddelen?

De regelgeving bepaalt dat bepaalde bestaansmiddelen gedeeltelijk of volledig worden vrijgesteld. Dat betekent dat ze slechts tot een bepaald bedrag in aanmerking worden genomen, of helemaal niet worden meegerekend en dus geen invloed hebben op het bedrag van het leefloon.

Gedeeltelijk vrijgestelde bestaansmiddelen

Deze bestaansmiddelen worden slechts tot een bepaald bedrag in aanmerking genomen bij de berekening van het leefloon. Het gaat hierbij om verschillende soorten vrijstellingen, zoals de “socio-professionele” vrijstelling, de vrijstelling in verband met eigendom en de vrijstelling in verband met spaargeld (zie 2.2.4.7. De “socio-professionele” vrijstelling, of vrijstelling van inkomsten in het kader van socio-professionele integratie, en de “gewone” vrijstelling en 2.2.4.10. Wat als ik eigenaar ben van één of meerdere onroerende goederen? en 2.2.4.11. Wat als ik spaargeld heb?).

Volledig vrijgestelde bestaansmiddelen

Deze bestaansmiddelen mogen in geen geval in aanmerking worden genomen bij de berekening van het leefloon. De volledige lijst staat in artikel 22 van het Koninklijk Besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

Onder deze bestaansmiddelen vallen onder meer:

  • de steun toegekend door het OCMW;
  • onderhoudsbijdragen ten voordele van kinderen (minderjarig of meerderjarig), ongehuwd, ten laste van de aanvrager van het leefloon, voor zover hij of zij hen opvoedt;
  • loon in het kader van PWA-prestaties;
  • productiviteits- of aanmoedigingspremies in het kader van individuele beroepsopleidingen in een onderneming (maximum 6 maanden);
  • gewestelijke premies voor verhuis, installatie en huur;
  • studiebeurzen toegekend aan de aanvrager of aan kinderen ten laste. Dit geldt ook voor Erasmus+-beurzen;
  • subsidies, vergoedingen en toelagen van de gemeenschap voor de opvang van jongeren in een pleeggezin;
  • zitpenningen als lid van een gemeenteraad, provincieraad of raad voor maatschappelijk welzijn;
  • niet-regelmatige giften van een instelling of van personen die niet onder hetzelfde dak wonen als de aanvrager;
  • de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap;
  • vrijwilligersvergoeding, indien deze niet meer bedraagt dan 44,02 € per dag en 1.760,83 € per jaar (bedragen 2026);
  • de vergoeding voor het uitvoeren van de burgerdienst (wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Burgerdienst).

Situatie van de gezinsbijslagen

Met gezinsbijslagen worden bedoeld: kinderbijslag, verhoogde wezenbijslag, geboortepremie, adoptiepremie, schoolpremie en diverse toeslagen (leeftijdstoeslagen, sociale toeslagen en toeslagen voor kinderen met een handicap).

Vrijgesteld:

  • de gezinsbijslagen die aan de ouder worden uitbetaald voor minderjarige kinderen ten laste;
  • de toeslagen voor personen met een handicap, ongeacht of deze door de ouder of door de persoon met een handicap worden ontvangen.

Niet vrijgesteld:

  • gezinsbijslagen die worden ontvangen door een meerderjarig kind dat niet meer bij zijn of haar ouders woont (op kot gaan tijdens de week en in het weekend thuis wonen wordt nog steeds beschouwd als “samenwonen” met de ouders). Deze worden beschouwd als een bestaansmiddel van het meerderjarig kind bij de berekening van het recht op leefloon (zie 2.2.4.8. Wat gebeurt er als ik samenwonend ben?);
  • gezinsbijslagen, zelfs indien ze aan de ouder worden uitbetaald, wanneer het gaat om een meerderjarig kind dat bij zijn of haar ouders woont en een leefloon aanvraagt. Ze worden dan beschouwd als een in aanmerking te nemen bestaansmiddel van het meerderjarig kind bij de berekening van het leefloon (zie 2.2.4.8. Wat gebeurt er als ik samenwonend ben? en 2.2.4.9. Hoe berekent het OCMW het leefloon in geval van samenwoning?).

 

Printen

Deze site maakt gebruik van cookies om u de beste ervaring op onze site te garanderen.