Dit betekent dat men gewoonlijk en effectief in België verblijft. De verblijfplaats is een feitelijke kwestie en verwijst naar de plaats waar iemand zijn of haar belangrijkste sociale en persoonlijke banden heeft. Dit kan dus met alle bewijsmiddelen worden aangetoond: huurcontract, betaling van huur, energieverbruik, enz. Bij afwezigheid van een wettelijke woonplaats, huisvesting of inschrijving in de bevolkingsregisters (bijvoorbeeld in het geval van dakloze personen), kunnen bewijzen van gewoonlijk verblijf ook bestaan uit getuigenissen van de buurt, een attest van een opvanghuis, aankoopbewijzen, enz. (zie 4.2. Welke huisvestings- en/of daklozensteunen bestaan er?).
Het sociaal onderzoek, dat onder meer een huisbezoek omvat, is voor het OCMW een middel om na te gaan of aan deze voorwaarde is voldaan (zie rubriek Indienen van een aanvraag – 2.5. Het sociaal onderzoek en het sociaal verslag en rubriek Indienen van een aanvraag – 2.5.2. Ben ik verplicht een huisbezoek te aanvaarden?).
Gewoonlijk en effectief verblijven op het grondgebied betekent echter niet dat men voortdurend in de woning aanwezig moet zijn of zich niet mag verplaatsen of af en toe elders mag verblijven.
Het is bovendien mogelijk om naar het buitenland te reizen onder de volgende voorwaarden:
- Het OCMW moet vóór vertrek op de hoogte worden gebracht van elk verblijf van 7 dagen of meer. De duur en de reden van het verblijf moeten worden vermeld. Het is aanbevolen deze informatie schriftelijk door te geven, bijvoorbeeld via e-mail. Het niet verwittigen van het OCMW kan leiden tot de schorsing van het leefloon voor een bepaalde periode en tot een sanctie wegens onjuiste of onvolledige verklaringen (zie 9. Zijn er sancties?);
- Het recht om in het buitenland te verblijven bedraagt maximaal 4 weken per kalenderjaar (of 28 dagen, waarbij zowel de dag van vertrek als de dag van terugkeer in België worden meegerekend), al dan niet aaneensluitend. Het OCMW kan echter in uitzonderlijke omstandigheden en/of om redenen van billijkheid een langer verblijf toestaan. Dit gebeurt geval per geval, op basis van de elementen die vóór vertrek of ten laatste bij terugkeer worden meegedeeld. Voorbeelden van uitzonderlijke omstandigheden zijn: een stage of studies in het buitenland, ernstige ziekte van een familielid, overlijden van een familielid, administratieve redenen (bv. problemen met een paspoort), enz. Het verlengen van het verblijf zonder toestemming kan leiden tot de schorsing van het leefloon.
Het OCMW informeert wanneer het quota van 4 weken verblijf in het buitenland per kalenderjaar is bereikt. Het moet ook melden dat het OCMW na het bereiken van dit quota voor elke dag verblijf in het buitenland op de hoogte moet worden gebracht, aangezien dit zal leiden tot schorsing van het leefloon tot de terugkeer in België.
Voorbeeld:
een verblijf van 10 opeenvolgende dagen in maart + 10 opeenvolgende dagen in juni betekent dat 20 dagen werden gebruikt en dat het OCMW op de hoogte werd gebracht (omdat het telkens om meer dan 7 dagen ging). Indien daarna een verblijf van 14 opeenvolgende dagen in augustus gepland wordt, moet het OCMW hiervan op de hoogte worden gebracht en zal na de 9de dag het leefloon worden geschorst, aangezien het quotum van 28 dagen is bereikt.
Ter informatie:
elke beslissing tot schorsing of sanctie naar aanleiding van een verblijf in het buitenland kan het voorwerp uitmaken van een verzoek tot hoorzitting bij de Raad voor Maatschappelijk Welzijn en/of van een beroep bij de arbeidsrechtbank (zie rubriek “beroep”: 5. Hoe verloopt een hoorzitting bij het OCMW? en 6. Hoe dien je beroep in bij de arbeidsrechtbank en binnen welke termijn?).