Verschillende situaties zijn mogelijk
De aanvrager woont uitsluitend samen met een echtgeno(o)t(e) of feitelijke partner
In deze situatie houdt het OCMW rekening met de inkomsten van de echtgeno(o)t(e) of levenspartner die zelf geen leefloon aanvraagt, voor zover deze inkomsten hoger zijn dan het bedrag van het leefloon voor een samenwonende (893,65 euro per maand op 01.03.2026). Met deze inkomsten wordt op dezelfde manier rekening gehouden als met de inkomsten van de aanvrager (met uitzondering van de socioprofessionele vrijstelling – « artikel 35 »). Het OCMW moet dus de vrijstellingen toepassen die in de regelgeving zijn voorzien.
Voorbeeld 1
Mevrouw beschikt over geen enkele inkomstenbron en gaat samenwonen met haar partner, die een netto maandelijks loon van 2.000 euro ontvangt (dus meer dan het dubbele van het leefloonbedrag voor samenwonenden). Mevrouw heeft geen recht op een leefloon.
Voorbeeld 2
De heer ontvangt een leefloon aan het tarief voor samenwonenden (893,65 euro per maand). Hij woont samen met mevrouw, die geen leefloon ontvangt en werkt voor een netto maandloon van 1.100 euro. De heer sluit een arbeidsovereenkomst van korte duur af, waardoor hij in de betrokken maand een netto inkomen van 200 euro ontvangt. Aangezien deze arbeidsovereenkomst aanvangt terwijl hij reeds leefloon ontvangt, moet het OCMW de socioprofessionele vrijstelling van 315,67 euro per maand toepassen. In zijn situatie zijn zijn beroepsinkomsten dus volledig vrijgesteld: 200 euro – 315,67 euro = 0 euro in aanmerking te nemen inkomsten.
Het OCMW zal echter rekening houden met de inkomsten van mevrouw om het bedrag van het leefloon waarop hij recht heeft, vast te stellen.
Berekening van het leefloon van de heer
→ Inkomsten van mevrouw: 1.100 euro × 12 = 13.200 euro (jaarlijks loonbedrag). Deze inkomsten overschrijden het volledige jaarlijkse leefloonbedrag voor een samenwonende (10.723,75 euro) met 2.476,25 euro.
→ Het OCMW beschouwt de heer dus als iemand die reeds beschikt over inkomsten ten belope van 2.476,25 euro per jaar, of 206,35 euro per maand.
→ Aangezien deze inkomsten lager zijn dan het leefloonbedrag voor samenwonenden (10.723,75 euro), past het OCMW de algemene forfaitaire vrijstelling van 155 euro toe. Er wordt dus rekening gehouden met inkomsten ten bedrage van: 2.476,75 euro – 155 euro = 2.321,75 euro.
→ Deze inkomsten worden afgetrokken van het jaarlijkse leefloonbedrag voor samenwonenden: 10.723,75 euro – 2.321,75 euro = 8.402 euro.
→ De heer ontvangt bijgevolg een maandelijks leefloon van 700,17 euro: 8.402 euro ÷ 12 = 700,17 euro per maand.
De aanvrager woont samen met zijn of haar partner en met één of meerdere minderjarige kinderen ten laste
In deze situatie worden de inkomsten van de echtgeno(o)t(e) of levenspartner in aanmerking genomen en berekend alsof deze persoon zelf een leefloon aanvraagt, met toepassing van de specifieke berekeningsregels (vrijstelling van bepaalde inkomsten, behalve de socioprofessionele vrijstelling).
Voorbeeld 1
De heer beschikt over geen inkomsten en woont samen met zijn partner, die een netto maandloon van 1.000 euro ontvangt, evenals het groeipakket voor hun minderjarige zoon.
→ Inkomsten van mevrouw: 1.000 euro × 12 = 12.000 euro. Er wordt geen rekening gehouden met het groeipakket, aangezien dit wordt uitbetaald voor een minderjarig kind (zie: 2.2.4.5. Zijn bepaalde inkomsten vrijgesteld?).
→ Inkomsten van de heer: 0 euro.
→ De heer kan een leefloon ontvangen aan het tarief « persoon met gezinslast », aangezien hij samenwoont met zijn minderjarig kind. De forfaitaire vrijstelling van 310 euro voor een persoon met gezinslast kan eveneens worden toegepast, aangezien zijn inkomsten lager zijn dan het leefloonbedrag voor deze categorie.
→ De inkomsten waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van zijn leefloon bedragen: 12.000 euro (loon van mevrouw) – 310 euro (vrijstelling) = 11.690 euro. Dit bedrag wordt afgetrokken van het jaarlijkse leefloonbedrag voor een persoon met gezinslast: 21.733,88 euro – 11.690 euro = 10.043,88 euro. Dit betekent een jaarlijks aanvullend leefloon van 10.043,88 euro, of: 10.043,88 euro ÷ 12 = 836,99 euro per maand.
Het gezin ontvangt dus het groeipakket, het loon van mevrouw (1.000 euro per maand) en een leefloon van 836,99 euro per maand.
De aanvrager woont samen met één of meerdere onderhoudsplichtigen, al dan niet met minderjarige kinderen en al dan niet met een feitelijke partner
Bij de berekening van de inkomsten wordt rekening gehouden met de volgende volgorde van prioriteit:
- eerst met de inkomsten van de echtgeno(o)t(e) of levenspartner;
- vervolgens met de inkomsten van onderhoudsplichtigen in de eerste graad (ouders, schoonouders, meerderjarige kinderen en stiefkinderen);
- ten slotte met de inkomsten van onderhoudsplichtigen in de tweede graad (grootouders en kleinkinderen).
Voorbeeld 2
Een echtpaar woont samen met hun twee meerderjarige kinderen. Voor één van de twee kinderen bestaat nog recht op kinderbijslag (groeipakket).
Gezinssituatie:
- De moeder heeft geen inkomsten, maar ontvangt de kinderbijslag;
- De vader ontvangt een netto maandsalaris van 2.000 euro;
- De zoon, 23 jaar, dient een aanvraag in voor een leefloon. Hij heeft geen inkomsten. Als meerderjarig kind dat een leefloon aanvraagt, wordt het forfaitaire bedrag van 240 euro, dat in aanmerking wordt genomen voor de kinderbijslag, beschouwd als deel van zijn eigen inkomsten, ook al wordt de kinderbijslag aan zijn moeder uitbetaald (zie: 2.2.4.5. Zijn bepaalde inkomsten vrijgesteld?);
- De dochter, 26 jaar, dient eveneens een aanvraag in voor een leefloon. Zij ontvangt een loon van 425 euro.
Berekening door het OCMW (zonder rekening te houden met billijkheidsredenen):
⟶ Inkomsten van de ouders: 2.000 euro × 12 = 24.000 euro.
⟶ Deze inkomsten overschrijden met 2.552,40 euro (of 212,70 euro per maand) het jaarlijkse bedrag van twee leeflonen aan het tarief voor samenwonenden (21.447,60 euro per jaar).
⟶ Omdat beide meerderjarige kinderen elk een leefloon aanvragen, worden deze beschikbare inkomsten verdeeld tussen de twee kinderen. Het OCMW gaat er daarom van uit dat elk van hen reeds beschikt over 106,35 euro per maand.
Wat betreft het leefloon van de zoon:
⟶ Zijn inkomsten bedragen 240 euro (kinderbijslag) + 106,35 euro = 346,35 euro per maand, of 4.156,20 euro per jaar.
⟶ Omdat zijn inkomsten lager zijn dan het leefloonbedrag voor een samenwonende (10.723,75 euro), past het OCMW de algemene of forfaitaire vrijstelling toe (155 euro voor een samenwonende) en houdt het rekening met inkomsten ten belope van: 4.156,20 euro – 155 euro = 4.001,20 euro.
⟶ Hij heeft dus recht op een jaarlijks leefloon van: 10.723,75 euro – 4.001,20 euro = 6.722,55 euro per jaar, of 560,21 euro per maand.
Wat betreft het leefloon van de dochter:
⟶ Haar inkomsten bedragen 425 euro (loon) + 106,35 euro = 531,35 euro per maand, of 6.376,20 euro per jaar.
⟶ Omdat haar inkomsten lager zijn dan het leefloonbedrag voor een samenwonende (10.723,75 euro), past het OCMW de algemene of forfaitaire vrijstelling toe (155 euro voor een samenwonende) en houdt het rekening met inkomsten ten belope van: 6.376,20 euro – 155 euro = 6.221,20 euro.
⟶ Zij heeft dus recht op een jaarlijks leefloon van: 10.723,75 euro – 6.221,20 euro = 4.502,55 euro per jaar, of 375,21 euro per maand.
Voorbeeld 3
Mevrouw woont alleen met een minderjarig kind en een meerderjarig kind. Voor beide kinderen bestaat recht op kinderbijslag (groeipakket).
Gezinssituatie:
- De moeder ontvangt een loon van 1.800 euro en de kinderbijslag;
- Het meerderjarige kind heeft geen inkomsten en dient een aanvraag in voor een leefloon. Als meerderjarig kind dat een leefloon aanvraagt, wordt het forfaitaire bedrag van 240 euro, dat in aanmerking wordt genomen voor de kinderbijslag, beschouwd als deel van zijn eigen inkomsten, ook al wordt deze aan de moeder uitbetaald (zie 2.2.4.5. Zijn bepaalde inkomsten vrijgesteld?).
Berekening door het OCMW:
⟶ Inkomsten van de moeder: 1.800 euro loon × 12 = 21.600 euro.
⟶ Deze inkomsten overschrijden met 152,40 euro per jaar (of 12,70 euro per maand) het jaarlijkse bedrag van twee leeflonen aan het tarief voor samenwonenden (21.447,60 euro per jaar).
⟶ Het meerderjarige kind zal geen recht hebben op een leefloon (behoudens wanneer rekening wordt gehouden met billijkheidsredenen).
Voorbeeld 4
Een gehuwd koppel woont samen met een meerderjarig kind en de gepensioneerde moeder van mevrouw. De moeder en het meerderjarige kind dienen een aanvraag in voor een leefloon.
Gezinssituatie:
- De moeder heeft geen inkomsten, maar ontvangt de kinderbijslag voor het meerderjarige kind (forfaitair bedrag van 240 euro voor het OCMW);
- De vader ontvangt een netto maandsalaris van 1.000 euro;
- De moeder van mevrouw ontvangt een pensioen van 900 euro en een integratietegemoetkoming van 100 euro;
- De zoon heeft geen inkomsten, maar aangezien hij als meerderjarig kind een leefloon aanvraagt, beschouwt het OCMW de 240 euro kinderbijslag per maand als deel van zijn eigen inkomsten en niet als inkomsten van zijn moeder (zie 2.2.4.5. Zijn bepaalde inkomsten vrijgesteld?).
Berekening door het OCMW (zonder rekening te houden met eventuele billijkheidsredenen):
⟶ Inkomsten van de moeder: 0 euro (de kinderbijslag wordt niet als haar inkomsten beschouwd; zie: 2.2.4.5. Zijn bepaalde inkomsten vrijgesteld?).
⟶ Inkomsten van de zoon: 240 euro × 12 = 2.880 euro per jaar.
⟶ Inkomsten van de vader: 12.000 euro per jaar.
⟶ Inkomsten van de moeder van mevrouw: 900 euro × 12 = 10.800 euro per jaar (de integratietegemoetkoming is vrijgesteld van de inkomsten; zie: 2.2.4.5. Zijn bepaalde inkomsten vrijgesteld?).
Wat betreft het leefloon van mevrouw:
⟶ Eerst wordt gekeken naar de inkomsten van haar levenspartner, namelijk 12.000 euro per jaar. Deze inkomsten overschrijden met 1.276,25 euro per jaar (of 106,35 euro per maand) het jaarlijkse bedrag van het leefloon voor een samenwonende (10.723,75 euro per jaar).
⟶ Vervolgens wordt gekeken naar de inkomsten van haar moeder, namelijk 10.800 euro per jaar. Deze inkomsten overschrijden met 76,25 euro per jaar (of 6,35 euro per maand) het jaarlijkse bedrag van het leefloon voor een samenwonende (10.723,75 euro per jaar).
⟶ Er wordt dus van uitgegaan dat mevrouw reeds beschikt over 112,70 euro per maand aan inkomsten (106,35 euro + 6,35 euro), of 1.352,40 euro per jaar.
⟶ Omdat deze inkomsten lager zijn dan het leefloonbedrag voor samenwonenden (10.723,75 euro), past het OCMW de algemene of forfaitaire vrijstelling toe (155 euro voor een samenwonende) en houdt het rekening met definitieve inkomsten ten belope van: 1.352,40 euro – 155 euro = 1.197,40 euro.
⟶ Zij heeft dus recht op een jaarlijks leefloon van: 10.723,75 euro – 1.197,40 euro = 9.526,35 euro per jaar, of 793,86 euro per maand.
Wat betreft het leefloon van haar zoon:
⟶ Er wordt gekeken naar de inkomsten van zijn moeder, namelijk 793,86 euro leefloon per maand. Omdat deze inkomsten lager zijn dan het volledige leefloonbedrag voor een samenwonende, moeten er geen inkomsten in aanmerking worden genomen voor de berekening van zijn leefloon.
⟶ Vervolgens wordt gekeken naar de inkomsten van zijn vader. Aangezien deze inkomsten reeds werden “gebruikt” bij de berekening van het leefloon van zijn moeder, kunnen zij niet opnieuw in aanmerking worden genomen. Er zijn dus ook hier geen inkomsten die meetellen voor de berekening van zijn leefloon.
⟶ Daarna wordt gekeken naar de inkomsten van zijn grootmoeder. Ook deze inkomsten werden reeds “gebruikt” bij de berekening van het leefloon van zijn moeder en kunnen daarom niet opnieuw in aanmerking worden genomen.
⟶ Er wordt dus van uitgegaan dat de zoon reeds beschikt over 2.880 euro per jaar aan kinderbijslag.
⟶ Omdat deze inkomsten lager zijn dan het leefloonbedrag voor een samenwonende (10.723,75 euro), past het OCMW de algemene of forfaitaire vrijstelling toe (155 euro voor een samenwonende) en houdt het rekening met definitieve jaarlijkse inkomsten ten belope van: 2.880 euro – 155 euro = 2.725 euro.
⟶ Hij heeft dus recht op een jaarlijks leefloon van: 10.723,75 euro – 2.725 euro = 7.998,75 euro per jaar, of 666,56 euro per maand.
Voorbeeld 5
Mevrouw woont alleen met een minderjarig kind. Zij ontvangt een leefloon aan het tarief “persoon met gezinslast” (1.811,57 euro op 01.03.2026). Haar meerderjarige zoon werkt en ontvangt een netto maandloon van 1.200 euro. Hij komt bij haar inwonen. Welk bedrag aan leefloon zal mevrouw voortaan ontvangen? (zonder rekening te houden met eventuele billijkheidsredenen die tot een verhoging van het bedrag zouden kunnen leiden).
⟶ Er wordt gekeken naar de inkomsten van haar meerderjarige kind, namelijk 14.400 euro per jaar.
⟶ Deze inkomsten worden afgetrokken van het jaarlijkse leefloonbedrag voor een persoon met gezinslast:
21.738,88 euro – 14.400 euro = 7.338,88 euro.
De kinderbijslag wordt daarentegen niet afgetrokken, aangezien deze wordt uitbetaald voor een minderjarig kind (zie: 2.2.4.5. Zijn bepaalde inkomsten vrijgesteld?).
⟶ Er wordt dus van uitgegaan dat mevrouw reeds beschikt over 7.338,88 euro per jaar aan inkomsten, of 611,57 euro per maand.
⟶ Omdat deze inkomsten lager zijn dan het leefloonbedrag voor een persoon met gezinslast (mevrouw behoudt dit tarief omdat er nog steeds een minderjarig kind ten laste is in het gezin), past het OCMW de algemene of forfaitaire vrijstelling toe (310 euro voor het tarief “persoon met gezinslast”) en houdt het uiteindelijk rekening met definitieve inkomsten ten belope van: 7.338,88 euro – 310 euro = 7.028,88 euro.
⟶ Zij heeft dus recht op een jaarlijks leefloon van: 21.738,88 euro – 7.028,88 euro = 14.710 euro per jaar, of 1.225,83 euro per maand.
Ter informatie
Wanneer een OCMW een beslissing meedeelt, moet deze beslissing gemotiveerd zijn en de berekeningswijze van de in aanmerking genomen inkomsten vermelden. De berekeningsmethoden zijn bovendien bijzonder complex.
Aarzel daarom niet om:
- bijkomende informatie te vragen aan de maatschappelijk werker en/of aan een externe sociale of juridische dienst indien u vragen heeft (zie de rubriek “Links“ op de website);
- beroep aan te tekenen in geval van een geschil, bijvoorbeeld bij onenigheid over de uitgevoerde berekeningen of wanneer geen rekening werd gehouden met billijkheidsredenen (zie de rubriek “Beroep“).