De socioprofessionele vrijstelling betreft een bedrag afkomstig uit beroepsinkomsten of inkomsten verkregen in het kader van beroepsopleidingen, waarmee het OCMW geen rekening houdt bij de berekening van het leefloon.
Welke inkomsten?
Onder beroepsinkomsten wordt verstaan:
- de netto-inkomsten uit arbeid in loondienst (op basis van een arbeidsovereenkomst, inclusief een tewerkstelling krachtens artikel 60);
- de netto-inkomsten uit een studentenarbeidsovereenkomst;
- de netto-inkomsten uit een statutaire betrekking als ambtenaar;
- de belastbare inkomsten (bruto-inkomsten verminderd met beroepskosten en sociale bijdragen) in het kader van een zelfstandigenstatuut;
- de netto opleidingsvergoedingen of opleidingspremies (bijvoorbeeld een opleidingsuitkering toegekend in het kader van een IBO – Individuele Beroepsopleiding in een onderneming – of vergoedingen bij een opleiding georganiseerd in samenwerking met een gewestelijke openbare dienst voor arbeidsbemiddeling), tenzij deze vergoedingen of premies vrijgesteld zijn krachtens artikel 22 van het Koninklijk Besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
Onder welke voorwaarden kan de vrijstelling worden toegepast?
De vrijstelling is van toepassing wanneer een tewerkstelling of opleiding wordt aangevat tijdens de periode waarin leefloon wordt toegekend.
Met andere woorden: wanneer een leefloongerechtigde een job aanvat, wordt een deel van zijn of haar beroepsinkomsten niet meegerekend voor de bepaling van het bedrag van het leefloon waarop hij of zij aanspraak kan maken.
Wanneer de tewerkstelling echter reeds wordt uitgeoefend op het ogenblik van de aanvraag van het leefloon, worden de beroepsinkomsten volledig in aanmerking genomen voor de berekening van het leefloon.
Uitzondering: de vrijstelling wordt toegepast
- wanneer een beroepsopleiding werd aangevat vóór of tijdens de toekenning van het leefloon;
- wanneer een tewerkstelling werd aangevat vóór of tijdens de toekenning van het leefloon én de betrokkene aan de volgende drie voorwaarden voldoet:
- voltijds onderwijs volgt;
- jonger is dan 25 jaar op het moment dat het recht op leefloon wordt geopend;
- een GPMI voor studenten (Geïndividualiseerd Project voor Maatschappelijke Integratie) heeft ondertekend. (zie 10. ik ben student. Heb ik recht op een leefloon en/of sociale bijstand?)
Wat is het bedrag van de vrijstelling?
- De vrijstelling bedraagt 315,67 euro per maand (bedrag op 01.03.2026). Dit bedrag wordt toegepast op alle beroepsinkomsten van de maand, ook wanneer de tewerkstelling niet gedurende de volledige maand werd uitgeoefend.
- Het bedrag wordt verhoogd tot 452,39 euro per maand (bedrag op 01.03.2026) wanneer de betrokkene werkt in een knelpuntberoep. Het moet gaan om een beroep dat voorkomt op de lijst van knelpuntberoepen opgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst (www.belgium.be), of waarvoor deze dienst heeft bevestigd dat de uitgeoefende functie een knelpuntberoep is. Deze bevestiging kan per e-mail of per brief worden verstrekt. Ook dit bedrag wordt toegepast op alle beroepsinkomsten van de maand, zelfs wanneer de tewerkstelling niet gedurende de volledige maand werd uitgeoefend.
- Voor inkomsten uit onregelmatige artistieke prestaties bedraagt de vrijstelling 3.787,99 euro per jaar (bedrag op 01.03.2026). Een artistieke activiteit wordt als onregelmatig beschouwd wanneer de persoon als liefhebber slechts enkele keren per jaar inkomsten uit zijn of haar artistieke activiteit verkrijgt (primabook.mi-is.be). Over dit begrip « onregelmatig » bestaat geen verdere officiële verduidelijking.
Hoelang kan men van deze vrijstelling genieten?
De totale duur van de vrijstelling is beperkt tot 3 jaar. Deze periode van 3 jaar kan worden benut binnen een termijn van 6 jaar vanaf de start van de eerste beroepsactiviteit of de eerste opleiding (behalve voor inkomsten uit artistieke activiteiten: in dat geval geldt de vrijstelling gedurende 3 jaar zonder mogelijkheid tot verlenging).
Na deze periode van 3 jaar worden de beroepsinkomsten en opleidingspremies volledig in mindering gebracht op het leefloon.
Hoe wordt de vrijstelling toegepast?
Voor iemand die een job aanvat terwijl hij of zij een leefloon ontvangt, worden de beroepsinkomsten pas als bestaansmiddelen in aanmerking genomen voor het deel dat 315,67 euro per maand overschrijdt (indien het werk niet artistiek is en niet wordt uitgeoefend in het kader van een knelpuntberoep). Zodra het bedrag van de bestaansmiddelen is vastgesteld, wordt vervolgens de zogenaamde algemene of forfaitaire vrijstelling toegepast, op voorwaarde dat het bedrag van de bestaansmiddelen lager is dan het volledige leefloon waarop de betrokkene recht heeft volgens zijn of haar gezinssituatie (zie 2.2.4.6. De « algemene » of « forfaitaire » vrijstelling).
Voorbeelden:
- Een persoon ontvangt een leefloon als alleenstaande. Hij of zij start met een job die 1.000 euro netto per maand oplevert.
→ Als bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met: 1.000 euro – 315,67 euro = 684,33 euro.
Omdat dit bedrag lager is dan het volledige leefloon voor een alleenstaande, zal vervolgens de algemene of forfaitaire vrijstelling worden toegepast om het bedrag van het leefloon waarop de persoon recht heeft te berekenen. - Een persoon ontvangt een leefloon als samenwonende. Hij of zij start met een job die 1.250 euro netto per maand oplevert.
→ Als bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met: 1.250 euro – 315,67 euro = 934,33 euro.
Omdat dit bedrag hoger is dan het leefloon voor een samenwonende, zal de algemene of forfaitaire vrijstelling niet worden toegepast en bestaat er geen recht op een aanvullende leefloonuitkering. - Een persoon ontvangt een leefloon als persoon met gezinslast. Hij of zij start met een job die 1.250 euro netto per maand oplevert.
→ Als bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met: 1.250 euro – 315,67 euro = 934,33 euro.
Omdat dit bedrag lager is dan het volledige leefloon voor een persoon met gezinslast, zal vervolgens de algemene of forfaitaire vrijstelling worden toegepast om het bedrag van het leefloon waarop de persoon recht heeft te berekenen.
Wat gebeurt er als het leefloon niet de volledige maand dekt?
De vrijstelling wordt volledig toegepast, ook wanneer de tewerkstelling niet gedurende de volledige maand heeft plaatsgevonden. Afhankelijk van het feit of de aanvrager al dan niet als een nieuwe aanvraag wordt beschouwd, zal er echter een proratisering van de beroepsinkomsten gebeuren.
Er is sprake van een nieuwe aanvraag wanneer gedurende minstens twee volledige maanden geen leefloon werd uitbetaald. Indien mevrouw bijvoorbeeld leefloon ontving tot 18 september en op 5 december een nieuwe aanvraag indient, gaat het om een « nieuwe aanvraag », aangezien gedurende twee volledige maanden (oktober en november) geen leefloon werd ontvangen.
Indien mevrouw daarentegen leefloon ontving tot 18 september en op 5 november een nieuwe aanvraag indient, is er geen sprake van een « nieuwe aanvraag », aangezien slechts één volledige maand zonder leefloon werd vastgesteld (oktober).
Indien er sprake is van een nieuwe aanvraag:
→ De beroepsinkomsten van de maand worden toegerekend aan de periode waarop de aanvraag voor leefloon betrekking heeft. Er wordt dus een prorata toegepast op de beroepsinkomsten wanneer het recht op leefloon niet de volledige maand bestrijkt.
→ Vervolgens wordt, indien het recht op leefloon niet de volledige maand bestrijkt, op het einde van de berekening een prorata toegepast op het leefloon.
Indien er geen sprake is van een nieuwe aanvraag:
→ Alle beroepsinkomsten van de maand worden volledig in aanmerking genomen, zonder proratisering.
→ Vervolgens wordt, indien het recht op maatschappelijke integratie niet de volledige maand bestrijkt, op het einde van de berekening een prorata toegepast op het leefloon.
| Voorbeeld : nieuwe aanvraag | Voorbeeld: geen nieuwe aanvraag |
| Leefloon toegekend tot en met 18 september | Leefloon toegekend tot en met 18 september |
| Geen leefloon toegekend in oktober = 1 volledige maand. | Geen leefloon toegekend in oktober = 1 volledige maand. |
| Geen leefloon toegekend in november = 1 volledige maand. | |
| Aanvraag van leefloon op 5 december | Aanvraag van leefloon op 5 november |
| Het gaat dus om een nieuwe aanvraag. | Het gaat dus niet om een nieuwe aanvraag, aangezien er geen twee volledige maanden onderbreking zijn. |
| Voor het leefloon van december worden de beroepsinkomsten die vóór 5 december werden ontvangen niet in aanmerking genomen. | Voor het leefloon van november worden alle beroepsinkomsten van de maand november in aanmerking genomen. |
Twee voorbeelden om te begrijpen
Voorbeeld 1: nieuwe aanvraag
De heer woont alleen.
Hij werkt van 1 tot en met 10 maart.
Hij dient een aanvraag voor leefloon in op 11 maart. Hij heeft nog nooit het recht op maatschappelijke integratie genoten (het gaat dus om een nieuwe aanvraag).
Hij werkt vervolgens van 20 tot en met 24 maart.
Voor de volledige maand maart heeft hij 1.000 € netto ontvangen.
⟶ Socioprofessionele vrijstelling: 1.000 € – 315,67 € = 684,33 € aan in aanmerking te nemen middelen
⟶ Aangezien het om een nieuwe aanvraag gaat, worden deze inkomsten geproratiseerd volgens de periode gedekt door het leefloon (van 11 tot en met 31 maart, zijnde 21 dagen): 684,33 € / 31 x 21 = 463,58 €
⟶ Dit bedrag is lager dan het leefloon voor een alleenstaande (463,58 € < 908,06 € (leefloontarief alleenstaande, geproratiseerd op 21 dagen))
⟶ De middelen worden vervolgens op jaarbasis berekend: 463,58 € x 12 = 5.562,96 €
⟶ Dit bedrag wordt afgetrokken van het jaarlijkse leefloon voor alleenstaanden. Ook de “algemene of forfaitaire” vrijstelling wordt toegepast: 16.085,64 € (jaarlijks leefloon alleenstaande op 01.03.2026) – (5.562,96 € aan beroepsinkomsten – 250 € algemene vrijstelling) = 10.772,68 €
⟶ Het jaarbedrag wordt vervolgens omgezet naar een maandbedrag: 10.772,68 € / 12 = 897,72 €
⟶ Dit maandbedrag wordt geproratiseerd op 21 dagen: 897,72 € / 31 x 21 = 608,13 €
⟶ De heer heeft recht op een leefloon van 608,13 € voor de periode van 11 tot en met 31 maart.
Voorbeeld 2: het is geen nieuwe aanvraag
De heer woont alleen.
Hij werkt van 1 tot en met 10 maart.
Hij dient een aanvraag voor leefloon in op 11 maart. Hij heeft in januari leefloon ontvangen (het gaat dus niet om een nieuwe aanvraag).
Hij werkt vervolgens van 20 tot en met 24 maart.
Voor de volledige maand maart heeft hij 1.000 € netto ontvangen.
⟶ Socioprofessionele vrijstelling: 1.000 € – 315,67 € = 684,33 € aan in aanmerking te nemen middelen
⟶ Aangezien het geen nieuwe aanvraag betreft, worden de beroepsinkomsten niet geproratiseerd. Er wordt dus 684,33 € in aanmerking genomen, ook al dekt het leefloon uiteindelijk slechts 21 dagen
⟶ Dit bedrag is lager dan het leefloon voor een alleenstaande (684,33 € < 908,06 € (leefloontarief alleenstaande, geproratiseerd op 21 dagen))
⟶ De middelen worden vervolgens op jaarbasis berekend: 684,33 € x 12 = 8.211,96 €
⟶ Dit bedrag wordt afgetrokken van het jaarlijkse leefloon voor alleenstaanden. Ook de “algemene of forfaitaire” vrijstelling wordt toegepast: 16.085,64 € (jaarlijks leefloon alleenstaande op 01.03.2026) – (8.211,96 € aan beroepsinkomsten – 250 € algemene vrijstelling) = 8.123,68 €
⟶ Het jaarbedrag wordt vervolgens omgezet naar een maandbedrag: 8.123,68 € / 12 = 676,97 €
⟶ Dit maandbedrag wordt geproratiseerd op 21 dagen: 676,97 € / 31 x 21 = 458,59 €
⟶ De heer heeft recht op een leefloon van 458,59 € voor de periode van 11 tot en met 31 maart.
In de situatie van de heer ontvangt hij, afhankelijk van of de aanvraag als nieuw wordt beschouwd of niet, voor de maand maart: 608,13 € (nieuwe aanvraag) of 458,59 € (geen nieuwe aanvraag).