Indien, door het cumuleren van alle bestaansmiddelen van de aanvrager, deze lager zijn dan het bedrag van het leefloon dat overeenstemt met zijn of haar categorie, past het OCMW een zogenaamde “algemene” of “forfaitaire” vrijstelling toe (zie 2.2.4. Wat houdt de voorwaarde “niet over voldoende middelen beschikken” in?). Concreet wordt er een bepaald bedrag afgetrokken van de beschikbare bestaansmiddelen, waardoor het uiteindelijke bedrag van de bestaansmiddelen lager ligt dan wat normaal in aanmerking zou moeten worden genomen en van het leefloon zou worden afgetrokken.
Het bedrag van deze vrijstelling is als volgt:
- 155 € / jaar (12,92 € / maand) voor een samenwonende persoon;
- 250 € / jaar (20,83 € / maand) voor een alleenstaande persoon;
- 310 € / jaar (25,83 € / maand) voor een persoon met gezinslast.
Voorbeeld 1
Tom is samenwonend. Zijn bestaansmiddelen bedragen 300 € / maand (of 3.600 € / jaar).
⟶ Het totaal van zijn jaarlijkse bestaansmiddelen (3.600 €) is lager dan het volledige jaarlijkse leefloon voor een samenwonende (10.723,75 € / jaar op 01.03.2026), waardoor hij recht heeft op de “algemene” of “forfaitaire” vrijstelling van 155 € / jaar.
⟶ Het OCMW mag dus slechts 3.445 € / jaar aan bestaansmiddelen in rekening brengen (3.600 € – 155 €).
⟶ Tom heeft daardoor recht op een jaarlijks leefloon van 7.278,75 € (10.723,75 € – 3.445 €), wat overeenkomt met 606,56 € / maand (7.278,75 € / 12).
Voorbeeld 2
Carmen is alleenstaande en ontvangt 1.340,47 € / maand leefloon. Ze gaat samenwonen met een persoon die deeltijds werkt voor een netto loon van 790 € / maand. Beiden vragen een leefloon aan.
⟶ Bij samenwoning wordt het leefloon van Carmen aangepast naar het samenwonend tarief van 893,65 € / maand.
Voor haar partner wordt de situatie als volgt geanalyseerd:
⟶ Zijn netto beroepsinkomsten bedragen 9.480 € / jaar (= 790 € x 12).
⟶ Deze zijn lager dan het volledige jaarlijkse leefloon voor een samenwonende (10.723,75 € / jaar op 01.03.2026), waardoor hij recht heeft op de “algemene” of “forfaitaire” vrijstelling van 155 € / jaar.
⟶ De in aanmerking te nemen bestaansmiddelen bedragen dus 9.480 € – 155 € = 9.325 € / jaar.
⟶ Het OCMW kan een gedeeltelijk leefloon toekennen van 10.723,75 € – 9.325 € = 1.398,75 € / jaar of 116,56 € / maand.
⟶ Samen ontvangt het koppel 893,65 € (voor Carmen) en 906,56 € (voor haar partner), in totaal 1.800,21 € / maand (in plaats van 1.787,30 € / maand als de partner niet zou werken).
Voorbeeld 3
Een moeder woont alleen met haar twee minderjarige kinderen ten laste. Ze werkt halftijds met een netto loon van 1.400 € / maand.
⟶ Haar netto beroepsinkomsten bedragen 16.800 € / jaar (= 1.400 € x 12).
⟶ Deze zijn lager dan het volledige jaarlijkse leefloon voor een persoon met gezinslast (21.738,88 € / jaar, bedrag op 01.03.2026), waardoor zij recht heeft op de “algemene” of “forfaitaire” vrijstelling van 310 € / jaar.
⟶ De in aanmerking te nemen bestaansmiddelen bedragen dus 16.800 € – 310 € = 16.490 €.
⟶ Mevrouw ontvangt een jaarlijks leefloon van 21.738,88 € – 16.490 € = 5.248,88 € (of 437,41 € / maand).
⟶ Elke maand ontvangt zij 1.400 € loon + 437,41 € leefloonsupplement, dus 1.837,41 € (dus 25,84 € meer dan het leefloon voor een persoon met gezinslast).
Ter informatie:
Indien beroepsinkomsten worden ontvangen die recht kunnen geven op de socio-professionele vrijstelling, past het OCMW eerst de socio-professionele vrijstelling toe vóór de algemene vrijstelling (zie 2.2.4.7. De “socio-professionele” vrijstelling of vrijstelling van inkomsten in het kader van socio-professionele integratie).