Het feit dat u eigenaar bent van een woning of een stuk grond, of dat u huurinkomsten ontvangt, verhindert niet dat u een leefloon ontvangt. Er wordt echter een specifieke berekening toegepast, die kan leiden tot een vermindering van het leefloon, zelfs wanneer de lening voor het onroerend goed nog niet volledig is afbetaald.
Er worden verschillende situaties onderscheiden.
Een persoon bezit een bebouwd onroerend goed
Indien het niet-geïndexeerde kadastraal inkomen (KI) van het onroerend goed maximaal 750 euro bedraagt, verhoogd met 125 euro per kind waarvoor de aanvrager de hoedanigheid van rechthebbende op de kinderbijslag heeft (dat wil zeggen dat hij of zij de kinderbijslag ontvangt), wordt het leefloon niet verminderd.
Voorbeeld:
Mevrouw heeft één kind ten laste. Zij bezit een woning met een niet-geïndexeerd kadastraal inkomen (KI) van 850 euro. Er wordt niets in mindering gebracht op haar leefloon, aangezien het KI lager is dan 750 euro, vermeerderd met 125 euro (voor het kind ten laste).
Indien het KI hoger is dan 750 euro, wordt rekening gehouden met het gedeelte dat hoger is dan 750 euro (verhoogd met 125 euro per kind ten laste), vermenigvuldigd met drie.
Voorbeeld:
Mevrouw woont alleen en bezit een woning met een KI van 2.000 euro. Er wordt rekening gehouden met het gedeelte dat hoger is dan 750 euro (2.000 euro − 750 euro = 1.250 euro), vermenigvuldigd met drie, wat neerkomt op 3.750 euro. Dit bedrag wordt afgetrokken van haar jaarlijks leefloon. Zij zal dus een maandelijks leefloon ontvangen dat met 312,50 euro per maand wordt verminderd (= 3.750 euro / 12).
Indien het onroerend goed zich in het buitenland bevindt, wordt hiermee eveneens rekening gehouden, op basis van het kadastraal inkomen dat in het betrokken land van toepassing is of, bij gebrek daaraan, op basis van het bedrag van de bruto-inkomsten uit buitenlandse onroerende goederen zoals meegedeeld door de fiscale administratie.
Een persoon bezit een onbebouwd onroerend goed
Indien het niet-geïndexeerde kadastraal inkomen (KI) maximaal 30 euro bedraagt, wordt het leefloon niet verminderd. Indien het KI hoger is dan 30 euro, wordt rekening gehouden met het gedeelte dat 30 euro overschrijdt, vermenigvuldigd met drie. Dit bedrag van 30 euro wordt niet verhoogd wanneer er kinderen ten laste zijn.
Voorbeeld:
De heer bezit een perceel grond met een KI van 350 euro. Er wordt rekening gehouden met het gedeelte dat hoger is dan 30 euro (350 euro – 30 euro = 320 euro), vermenigvuldigd met drie, wat neerkomt op 960 euro. Dit bedrag wordt afgetrokken van zijn jaarlijks leefloon. Hij zal dus een maandelijks leefloon ontvangen dat met 80 euro per maand wordt verminderd (= 960 euro / 12).
Een persoon bezit meerdere bebouwde of onbebouwde onroerende goederen
Het kadastraal inkomen van elk onroerend goed moet in aanmerking worden genomen. Het bedrag van de vrijstelling wordt gedeeld door het aantal onroerende goederen. De resultaten voor elk onroerend goed worden vervolgens bij elkaar opgeteld.
Voorbeeld:
De heer is alleenstaande. Hij bezit twee appartementen. De vrijstelling per appartement bedraagt dus 375 euro (750 euro / 2).
- Appartement A: KI van 900 euro
⟶ De berekening die het OCMW maakt, luidt als volgt:
900 euro – 375 euro = 525 euro × 3 = 1.575 euro af te trekken van het jaarlijkse leefloon.
- Appartement B: KI van 800 euro
⟶ De berekening die het OCMW maakt, luidt als volgt: 800 euro – 375 euro = 425 euro × 3 = 1.275 euro af te trekken van het jaarlijkse leefloon. In totaal zal het OCMW 2.850 euro per jaar, of 237,50 euro per maand, van zijn leefloon aftrekken.
Een persoon ontvangt huurinkomsten
Wanneer het bedrag van de ontvangen huurinkomsten hoger is dan het bedrag dat wordt berekend volgens de hierboven vermelde regels, wordt rekening gehouden met de huurinkomsten en niet met het kadastraal inkomen (KI). Het is dus belangrijk na te gaan of dit het geval is, aangezien veel OCMW’s automatisch de huurinkomsten in aanmerking nemen zonder deze te vergelijken met de berekening op basis van het KI, soms ten nadele van de begunstigden.
Ter informatie
In de bovenstaande voorbeelden werd geen rekening gehouden met de algemene of forfaitaire vrijstelling die, afhankelijk van de situatie, moet worden toegepast (zie 2.2.4.6. De “algemene” of “forfaitaire” vrijstelling). Indien bijvoorbeeld het maandelijkse leefloon van een alleenstaande met 60 euro moet worden verminderd omdat hij of zij eigenaar is van een appartement, moet het OCMW daar nog een algemene of forfaitaire vrijstelling van 20,83 euro per maand aan toevoegen. Het uiteindelijke maandelijkse leefloon bedraagt dan: 1.340,47 euro – 60 euro + 20,83 euro = 1.301,30 euro.
Er bestaan daarnaast nog andere, complexe regels voor situaties van mede-eigendom, lijfrenten, de betaling van hypothecaire interesten voor met een hypotheek bezwaarde onroerende goederen, overdrachten van goederen enzovoort. De vrijstellingsbedragen met betrekking tot het kadastraal inkomen worden niet geïndexeerd. Zij zijn niet gewijzigd sinds de goedkeuring van de DIS-wet in 2002.