Van de kant van het OCMW krijgt de arbeidsbereidheid concreet vorm door een opdracht van ondersteuning, advies en begeleiding bij de stappen die worden ondernomen om werk te vinden.
Van de kant van de begunstigden, en aangezien de regelgeving hierover geen verdere verduidelijking geeft, moet worden teruggegrepen naar de rechtspraak en de algemene omzendbrief betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Concreet kan de arbeidsbereidheid worden aangetoond aan de hand van elementen zoals:
- voortdurende, actieve en gevarieerde inspanningen om werk te zoeken, die niet strikt beperkt zijn tot het eigen studiegebied en/of de eigen competenties, zoals het versturen van spontane sollicitaties, het reageren op vacatures, enz.;
- inspanningen om een aanvullende opleiding te volgen teneinde de eigen vaardigheden of kennis te verbeteren, met inbegrip van taalvaardigheden;
- de inschrijving als werkzoekende;
- een positieve houding ten aanzien van werkaanbiedingen die door het OCMW worden voorgesteld, ook via de tewerkstellingsmaatregel « artikel 60 » (zie 2.2.5.4. Wat is een tewerkstelling in het kader van artikel 60?);
- enzovoort.
In de praktijk wordt de beoordeling van de arbeidsbereidheid vaak toevertrouwd aan de maatschappelijk werker van de dienst socio-professionele inschakeling van het OCMW en aan de referentiemaatschappelijk werker van de begunstigde, die de betrokkene begeleidt en verslag uitbrengt over de naleving van deze voorwaarde. In de praktijk kan wat van iemand wordt verwacht inzake arbeidsbereidheid ook worden opgenomen in het Geïndividualiseerd Project voor Maatschappelijke Integratie (GPMI), dat verplicht is bij elke nieuwe aanvraag van een leefloon (zie 2.2.5.3. Wat is het Geïndividualiseerd Project voor Maatschappelijke Integratie (GPMI)?).
Indien het OCMW van oordeel is dat niet aan de voorwaarde van arbeidsbereidheid is voldaan, kan het leefloon worden geweigerd of ingetrokken zolang niet langer aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het leefloon is voldaan. De beoordeling van de arbeidsbereidheid heeft aanleiding gegeven tot een omvangrijke rechtspraak van de arbeidsrechtbanken en arbeidshoven, maar deze rechtspraak beïnvloedt jammer genoeg niet altijd de concrete praktijk van de OCMW’s.
Ter informatie:
Arbeidsbereidheid is een relatief begrip dat van het ene OCMW tot het andere, en zelfs van de ene maatschappelijk werker tot de andere, verschillend kan worden beoordeeld. Het betreft bovendien een voorwaarde die op geïndividualiseerde wijze moet worden geëvalueerd, rekening houdend met de noden, mogelijkheden en specifieke situatie van elke persoon. Zo kan een OCMW bijvoorbeeld niet eisen dat een bepaald aantal bewijsstukken van sollicitaties bij potentiële werkgevers wordt voorgelegd, aangezien dit niet uitsluitend afhangt van de begunstigde van het leefloon. Evenmin kan een OCMW iemand verplichten om tegen een bepaalde datum of tijdens een specifieke periode van het jaar een studentenjob te vinden. Voorts wordt algemeen aanvaard dat de arbeidsbereidheid minder streng moet worden beoordeeld dan de voorwaarde van « actief zoeken naar werk », zoals die geldt in het kader van de werkloosheidsreglementering. De zeer ruime interpretatiemarge van de voorwaarde van arbeidsbereidheid leidt echter ook tot rechtsonzekerheid, verschillen in behandeling tussen OCMW’s en talrijke sancties en uitsluitingen.