Nadat het sociaal onderzoek is afgerond, stelt de maatschappelijk werker zijn of haar sociaal verslag op. Dit verslag moet gebaseerd zijn op objectieve gegevens (en niet op gevolgtrekkingen die uit deze gegevens zouden kunnen worden afgeleid) en bevat met name:
- het voorwerp en de datum van de aanvraag;
- de identiteit van de begunstigde: naam en voornaam, geboortedatum, nationaliteit, woonplaats en gezinssamenstelling;
- de inkomsten en bestaansmiddelen van het gezin;
- de gegevens met betrekking tot de bereidheid om te werken;
- het eventuele recht op sociale uitkeringen;
- de eventuele informatie met betrekking tot onderhoudsplichtigen;
- een korte beschrijving van de situatie;
- een concreet hulpvoorstel (positief of negatief) dat wordt geformuleerd door de maatschappelijk werker die met het dossier is belast.
Het verslag wordt vervolgens door de maatschappelijk werker voorgelegd aan de Raad voor Maatschappelijk Welzijn of aan het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst. Het is dus niet de maatschappelijk werker die beslist, maar wel de Raad of het Comité, op basis van het verslag. De Raad of het Comité is evenmin verplicht om het voorstel van de maatschappelijk werker te volgen (zie 4. Wie beslist over de toekenning of weigering van mijn hulpaanvraag?).
Ter informatie:
- Het komt zelden voor dat de maatschappelijk werker de inhoud van het sociaal verslag deelt met de persoon die hulp aanvraagt en/of hem of haar vraagt het verslag te ondertekenen. De betrokkene heeft evenwel het recht om dit verslag in te kijken. De maatschappelijk werker kan de betrokkene ook vragen het verslag te ondertekenen « voor kennisname » (en niet « voor akkoord »);
- Het sociaal verslag is een essentieel element in geval van een beroep bij de arbeidsrechtbank, aangezien het ter kennis van de rechter wordt gebracht. De rechter kan het verslag vervolgens gebruiken als een van de elementen waarop hij of zij zijn of haar beslissing baseert.